16 februari 2026

Kwetsbare welvaart: De naoorlogse economische geschiedenis van het Koninkrijk

Door Martijn Mak

Inleiding

Ooit waren de Nederlandse Antillen, het land dat vroeger het Caribische deel van het Koninkrijk omvatte, gemiddeld welvarender dan Nederland. Tegenwoordig is dat nauwelijks nog denkbaar: (Europees) Nederland is een welvarend land met een diverse economie dat meer exporteert dan importeert, terwijl in het Caribische deel van het Koninkrijk het welvaartsniveau ongeveer half zo laag ligt en de meeste economieën er van één sector afhankelijk zijn (het toerisme).

Om te onderzoeken hoe die situatie is veranderd naar de huidige situatie, onderzoek ik in deze publicatie de naoorlogse economische geschiedenis van het Caribisch deel van het Koninkrijk. Hierbij ligt de focus op drie economische pijlers: de olieraffinage, het toerisme en de financiële offshore.

Helaas ontbreken data over Saba en Sint Eustatius vaak, waardoor de publicatie zich vooral richt op de andere eilanden in het Koninkrijk.

Inhoud

  • 1950-1957: Een grootmacht in de olieraffinage
  • 1957-1966: De positie van de raffinaderijen verzwakt
  • 1966-1974: Gunstige olieprijzen en pril toerisme
  • 1974-1986: Financiële offshore en status aparte voor Aruba
  • 1986-1996: Eindigend off-shore regime en orkaan Luis
  • 2008-2012: Einde van de Nederlandse Antillen
  • 2012-2023: Externe schokken en herstel
  • Concluderend
  • Verantwoording

1950-1957

Een grootmacht in de olieraffinage

70 jaar geleden zijn de economische verhoudingen in het Koninkrijk der Nederlanden 180 graden gedraaid ten opzichte van nu: de Nederlandse Antillen zijn op dat moment, gemiddeld per inwoner, welvarender dan Nederland. Het land de Nederlandse Antillen bestaat dan uit de eilanden Aruba, Bonaire, Curaçao, Saba, Sint Eustatius en Sint Maarten. Om de welvaart te vergelijken kijken we naar het netto nationaal inkomen (nni), een welvaartsmaatstaf die in deze periode veel gebruikt wordt. In 1957 is het nni per hoofd in Nederland 835 dollar, en in de Nederlandse Antillen 1.083 dollar, ongeveer dertig procent hoger. Deze cijfers zijn gemeten in de prijzen van dat moment en omgerekend naar dollars tegen de danmalige wisselkoers.

Veel van het geld wordt in de olie-industrie van de Nederlandse Antillen verdiend. In de jaren ‘50 is het land namelijk een grootmacht op het gebied van olieraffinage. De eilanden Aruba en Curaçao hebben in deze periode beide een olieraffinaderij – Aruba heeft tot 1953 zelfs een tweede. Er wordt op Aruba en Curaçao zoveel olie geraffineerd, dat bijna tien procent van de wereldwijde raffinage in 1950 op deze twee eilanden plaatsvindt. De Nederlandse Antillen, een eilandstaatje met 163 duizend inwoners, doet kortom mee met de wereldtop.

Het toerisme is nog maar een kleine sector. 16 duizend toeristen bezoeken Curaçao in 1957, of gemiddeld 43 per dag. Voor de andere eilanden zijn deze cijfers niet beschikbaar. Het is niet gek dat dit aantal zo laag is, want langeafstandsvluchten staan nog in de kinderschoenen. De eerste lijnvlucht tussen Amsterdam en Curaçao is slechts elf jaar eerder vertrokken, de vlucht heeft in 1957 minstens drie tussenstops en de toestellen uit die tijd vliegen een stuk langzamer dan nu.

1957-1966

De positie van de raffinaderijen verzwakt

De economische voorspoed van de jaren 50 blijft niet aan, en in 1966 is de situatie volledig veranderd. De olieraffinage neemt af, van 50 miljoen ton olie in 1950 naar 39 miljoen ton in 1966. De raffinage in de rest van de wereld groeit wel, waardoor nog maar 2,4 procent van de wereldwijde olieraffinage plaatsvindt op de Nederlandse Antillen.

Deze dip heeft ook zijn weerslag in het welvaartsniveau, en de welvaartsverhouding met Nederland draait dan ook helemaal om. Waar het Nederlandse nni per hoofd in 1966 is toegenomen naar 1.648 dollar, is dat op de Nederlandse Antillen gedaald naar 970 dollar.

De internationale luchtvaart ontwikkelt zich wel verder. Curaçao is rechtstreeks verbonden met New York, en daarmee ook één overstap verwijderd van Nederland. Ook zijn vliegtuigen even snel als tegenwoordig. Hierdoor ontwikkelt het toerisme zich, al bevindt het zich nog steeds in een vroeg stadium. Aruba, Bonaire, Curaçao en Sint Maarten ontvangen bij elkaar 106 duizend toeristen in 1966. Over Saba en Sint Eustatius zijn er helaas geen cijfers beschikbaar.

1966-1974

Gunstige olieprijzen en pril toerisme

Na de economische malaise door de terugval in raffinage-activiteiten volgt herstel. In de periode tussen 1966 en 1974 gaat het economisch beter op de Nederlandse Antillen. De olieprijs, die in de jaren 50 en 60 gecorrigeerd voor inflatie heel stabiel is geweest, verzesvoudigt tussen 1966 en 1974. Curaçao profiteert daarmee van de oliecrisis van 1973. Toch daalt het geraffineerde volume op Aruba en Curaçao, namelijk van 39 miljoen ton in 1966 naar 31 miljoen ton in 1975. De Nederlandse Antillen zijn nu verantwoordelijk voor nog maar 1,2 procent van de wereldwijde olieraffinage.

Het toerisme begint langzaam maar zeker schaal te krijgen. In 1973 ontvangen de Nederlandse Antillen 282 duizend verblijfsbezoekers. Curaçao ontvangt de meeste verblijfsbezoekers, gevolgd door Aruba, daarna Sint Maarten, en daarna Bonaire.

Al met al stijgt het nni per hoofd van 970 naar 1.994 dollar tussen 1966 en 1974, wat ook gecorrigeerd voor inflatie vooruitgang is. Toch worden de verhoudingen met de welvaart in Nederland nog schever: daar vindt bijna een verviervoudiging plaats van het nni per hoofd, naar 5.990 dollar in 1974. Dit komt deels doordat de Nederlandse gulden in deze periode ongeveer een derde meer waard wordt ten opzichte van de dollar. Omdat de Antilliaanse gulden gekoppeld is aan de dollar, betekent dat ook dat de Nederlandse gulden meer waard wordt in Antilliaanse guldens.

1974-1986

Financiële offshore en status aparte voor Aruba

In de jaren tachtig zijn de Nederlandse Antillen groot in een nieuwe sector: de financiële offshore. Deze bereikt een hoogtepunt in 1986, en dit legt het land geen windeieren. De winstbelasting van offshore-maatschappijen levert in dat jaar namelijk 465 miljoen gulden op, niet veel minder dan de totale overige belastinginkomsten in dat jaar (517 miljoen gulden). Na de terugval in de olieraffinage hebben de Nederlandse Antillen dus opnieuw een sector ontwikkeld waar ze meedoen op het hoogste niveau.

Het belang van de olieraffinaderijen blijft in de tussentijd afnemen. Het geproduceerde volume van de olieraffinage daalt verder, namelijk van 31 miljoen ton in 1975 naar 19 miljoen ton in 1985. Hiermee raffineren de Nederlandse Antillen nog maar 0,7 procent van de olie wereldwijd. Op Aruba sluit de raffinaderij in 1984 zelfs, en ook Shell besluit de raffinaderij op Curaçao in 1985 te sluiten. De raffinage op Curaçao valt echter niet stil, omdat het land de Nederlandse Antillen de raffinaderij verhuurt aan de Venezolaanse staatsoliemaatschappij. Een lichtpuntje op het gebied van olie is dat de olieprijzen in het begin van de jaren tachtig tijdelijk sterk zijn gestegen als gevolg van de oliecrisis van 1979.

Ten opzichte van begin jaren 70 neemt het toerisme toe, maar de verschillen tussen de eilanden zijn groot. Op Sint Maarten explodeert het toerisme, met een toename van 52 duizend toeristen in 1973 tot 385 duizend in 1986 – meer dan zeven keer zo veel. Ook op Aruba gaat het hard, en is het toerisme met 210 duizend bezoekers in 1984 meer dan verdubbeld ten opzichte van iets meer dan tien jaar eerder. Op Curaçao stagneert de groei in deze periode, wat grotendeels te wijten is aan de terugval van het Venezolaanse (koop)toerisme. Dit heeft te maken met de internationale schuldencrisis van 1982 en het instorten van de Venezolaanse munt Bolivar. Op Bonaire groeit het toerisme wel, maar blijft het klein (27 duizend toeristen).

Aan het eind van deze periode, in 1986, ondergaat het land de Nederlandse Antillen een verandering: Aruba stapt eruit. Aruba blijft in het Koninkrijk, maar als autonoom land en daarmee niet meer onder de paraplu van de Nederlandse Antillen. Deze situatie wordt de status aparte genoemd. De afspraak is wel dat Aruba tien jaar later niet alleen de Nederlandse Antillen, maar het hele Koninkrijk zal verlaten en dus volledig onafhankelijk wordt, net zoals Suriname in 1975 had gedaan. Deze afspraak wordt opgenomen in het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden, een soort grondwet die de verhoudingen tussen Nederland en de drie Caribische landen in het Koninkrijk regelt.

Al met al krimpt tussen de jaren ’70 en ‘80 de kloof tussen de welvaart in Nederland enerzijds en die op de Antillen anderzijds. Dit meten we nu met het bruto binnenlands product (bbp), dat in deze tijd de dominante maatstaf is geworden om de omvang van de economie te meten. In Nederland bedraagt het bbp in 1986 13.804 dollar per hoofd. In het Caribisch deel van het Koninkrijk is het ongeveer de helft daarvan, namelijk 6.768 dollar op Aruba en 7.662 dollar in de Nederlandse Antillen – nu bestaand uit nog maar vijf eilanden.

1986-1996

Eindigend offshore-regime en orkaan Luis

In de jaren negentig krijgt Aruba een opsteker: in 1991 wordt de olieraffinaderij verkocht en opent deze de deuren weer. Toch blijft het belang van de raffinage afnemen. Op Curaçao is de olieproductie in 1996 een kwart lager dan twintig jaar daarvoor.

Ook moet de offshore-industrie wijken die Curaçao in de jaren ’80 groot had gemaakt. Hierbij spelen nieuwe belastingverdragen een rol, die voor het offshore-wezen ongunstig zijn: er wordt in 1986 een nieuw belastingverdrag met de Verenigde Staten getekend, dat later door de VS overigens alsnog wordt opgezegd. Ook de Belastingregeling voor het Koninkrijk wordt in 1986 gewijzigd. Ten opzichte van dat jaar is in 1996 twee derde verdampt van de winstbelasting vanuit de offshore-sector. Nog maar 164 miljoen gulden blijft over.

Aan de andere kant van de Caribische zee voltrekt zich in 1995 een natuurramp. Orkaan Luis raast over en zorgt vooral op Sint Maarten voor ravage en overstromingen, waarbij honderdduizenden mensen dakloos raken.

Niet alleen humanitair is Luis een ramp, ook economisch betekent het een crisis voor Sint Maarten. Het toerisme, dat in 1994 nog was gegroeid tot 565 duizend verblijfstoeristen, is een jaar na de ramp teruggevallen tot 365 duizend verblijfstoeristen. Gelukkig krijgt het land dat jaar 326 miljoen gulden aan overdrachten vanuit het buitenland als schade-uitkeringen. Aruba, Bonaire en Curaçao liggen alle drie buiten het orkaangebied, en daar groeit het toerisme wel. Van de verschillende eilanden is Aruba inmiddels de grootste trekpleister geworden, met 641 duizend verblijfstoeristen, drie keer zoveel als tien jaar eerder. Curaçao en Bonaire ontwikkelen zich ook verder, en het gecombineerde aantal verblijfstoeristen stijgt met 80 procent tot 284 duizend – nog altijd minder dus dan het aantal toeristen op het door de orkaan gehavende Sint Maarten.

Aruba, dat zich eigenlijk in 1996 onafhankelijk zou verklaren, blijft toch een land in het Koninkrijk: de bepaling in het Statuut dat Aruba uit het Koninkrijk zou treden wordt geschrapt. De groei van het toerisme heeft de economie bovendien veel gebracht: waar het bbp per hoofd in 1986 nog lager was dan op de Nederlandse Antillen, is het zijn voormalige landgenoten tien jaar later voorbijgestreefd. Aruba heeft een bbp per hoofd van 16.621 dollar, de Nederlandse Antillen van 13.391 dollar. Dit betekent dat de kloof met Nederland, het derde land in het Koninkrijk, voor Aruba krimpt en voor de Nederlandse Antillen groeit. Het Nederlandse bbp per hoofd bedraagt dan omgerekend 29.064 dollar. Hierbij speelt mee dat de gulden in deze periode de helft meer waard was geworden ten opzichte van de dollar.

 

1996-2008

Relatieve stabiliteit

In de jaren die volgen, in de periode 1996-2008, verandert er niet bijzonder veel in de drie sectoren waar we tot nu toe naar hebben gekeken – de olieraffinage, de offshore-industrie en het toerisme.

Het toerisme, gemeten in aantallen verblijfstoeristen, groeit overal verder. Op Aruba en Bonaire groeit het over de hele periode tussen de 10 en 30 procent. De grootste verandering vindt plaats op Curaçao: daar verdubbelen de aantallen toeristen. Aruba blijft het meest toeristische eiland wat betreft aantallen bezoekers, en binnen de Nederlandse Antillen blijft Sint Maarten de meeste verblijfstoeristen ontvangen. Het Nederlandse en Franse deel van het eiland ontvangen samen weer meer verblijfstoeristen dan voor orkaan Luis.

Met de olieraffinaderijen gaat het in beide landen weer wat beter. Op Curaçao neemt de olieproductie weer wat toe en ook op Aruba wordt de energiesector (inclusief raffinage) wat belangrijker voor de economie. In deze periode schieten de olieprijzen bovendien omhoog.

De Antilliaanse offshore-sector wordt verder aan banden gelegd. Onder druk van de OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling) en de EU voert het land een belastingherziening door en schaft het de offshore-wetgeving af. Hierbij wordt wel een ruime overgangsregeling ingebouwd, waardoor niet alle effecten zich direct materialiseren. Rond 2008 is de winstbelasting vanuit de offshore op een vergelijkbaar niveau als in 1996.

Hoewel de drie belangrijkste exportsectoren in Aruba en de Nederlandse Antillen het niet slechter doen dan in 1996, groeit de kloof met Nederland wel. Het Nederlandse bbp per hoofd is in 2008, aan de vooravond van de kredietcrisis, ruim 58 duizend dollar. Het bbp per hoofd van Aruba is ongeveer de helft daarvan, en dat van de Nederlandse Antillen ongeveer drie keer zo laag als dat van Nederland. Dit is deels een wisselkoers- in plaats van welvaartseffect: de groeiende kloof komt mede doordat de gulden (later vervangen door de euro) weer meer waard wordt ten opzichte van de dollar, waardoor het Nederlandse bbp per hoofd in dollars uitgedrukt hoger uitvalt.

2008-2012

Einde van de Nederlandse Antillen

In 2010 vinden er grootschalige staatkundige veranderingen plaats: 24 jaar na de uittreding van Aruba vallen de Nederlandse Antillen definitief uit elkaar. Curaçao en Sint Maarten gaan beide door als autonoom land, net zoals Aruba tot dan toe had gedaan. De rest van het land, bestaande uit Bonaire, Sint Eustatius en Saba, gaat verder als onderdeel van Nederland.

In 2008, vlak voor de staatkundige hervormingen van 2010, schudt de kredietcrisis de wereld op. Aangezien alle landen in het Koninkrijk open economieën zijn, worden alle landen hier in meer of mindere mate door geraakt. Het Nederlandse reële bbp daalt in 2009 met bijna 4 procent en dat van Sint Maarten met 5 procent, maar Curaçao en Bonaire hebben er minder last van. Voor Saba en Sint Eustatius zijn er geen cijfers beschikbaar.

Aruba noteert in 2009 een veel sterkere economische krimp dan de andere landen, namelijk van 12 procent, want in dat jaar sluit ook de olieraffinaderij. Na een korte heropening is de sluiting in 2012 definitief. Ook op Curaçao loopt het geproduceerde volume olie terug, met 15 procent ten opzichte van 2008.

In de jaren rondom de financiële crisis lopen ook de offshore-opbrengsten op Curaçao weer verder terug. In 2012 bedragen die nog maar een derde van het niveau van 2008.

In het toerisme maakt alleen Bonaire in de periode van 2008 tot 2012 een sterke ontwikkeling door. Het aantal toeristen stijgt daar met driekwart, tot 128 duizend. Op Aruba en Curaçao stijgt het toerisme beperkt, en op Sint Maarten daalt het. Aruba blijft toeristisch het verst ontwikkeld, met 904 duizend verblijfstoeristen in 2012.

De kloof tussen beide zijden van de oceaan neemt in deze periode af. Het bbp per hoofd is in 2012 in Europees Nederland ongeveer 50 duizend dollar, het dubbele van dat in het Caribisch deel van het Koninkrijk. De afname van het gat heeft te maken met de wisselkoers, waardoor het Europees-Nederlandse bbp in dollars uitgedrukt minder waard wordt. In het Caribisch deel van het Koninkrijk is het bbp per inwoner dat jaar het hoogst op Sint Maarten (28 duizend dollar), gevolgd door Caribisch Nederland (26 duizend dollar), bestaande uit Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Aruba heeft een vergelijkbaar bbp per hoofd (25 duizend dollar). Curaçao, ooit de economische motor van de Nederlandse Antillen, is nu het armste eiland geworden (20 duizend dollar per inwoner).

2012-2023

Externe schokken en herstel

Na de staatkundige hervormingen worden de eilanden geteisterd door verschillende zware schokken: natuurgeweld, een pandemie en het definitieve verval van de oude economische pijlers van de olieraffinage en de financiële offshore.

Op Sint Maarten, Saba en Sint Eustatius woedt in 2017 een tweetal zware orkanen: Irma en Maria. Naast het enorme humanitaire leed en de verwoesting, die nog jaren zichtbaar blijft, heeft ook deze orkaan economische effecten. Waar het toerisme op het Nederlandse deel van Sint Maarten in 2016 is toegenomen tot 519 verblijfstoeristen, zijn dit er in 2018 nog maar 173 duizend. Na een gedeeltelijk herstel in 2019 dient de volgende mokerslag zich aan: de wereldwijde coronacrisis, waarin het grootste deel van het toerisme opnieuw verdampt. De afgelopen jaren is er weer herstel, naar 368 duizend toeristen in 2022 en 465 duizend in 2024. Op Saba en Sint Eustatius zorgt de orkaan niet voor een sterke daling in het toerisme, maar de coronacrisis wel. Beide eilanden raken meer dan twee derde van hun in totaal 19 duizend toeristen uit 2019 kwijt, en ontvangen in 2023 samen nog steeds minder dan 12 duizend toeristen.

Voor Curaçao voltrekt zich in 2020 een driedubbele ramp, waarbij alle grote economische pijlers tegelijk instorten. Ten eerste loopt de overgangsregeling van de offshore-regelgeving af, waarmee definitief een einde komt aan het offshore-tijdperk. Het land kan verder geen nieuwe exploitant vinden voor de olieraffinaderij, waardoor deze na een eeuw productie nu echt moet sluiten. En ook voor Curaçao betekent de coronacrisis economische rampspoed. Tussen 2012 en 2019 is het aantal verblijfstoeristen toegenomen tot 464 duizend, maar in 2020 blijven er daar nog maar 175 duizend van over.

Toch is het toerisme op de Benedenwindse eilanden Aruba, Bonaire en Curaçao de coronacrisis beter doorgekomen dan de Bovenwindse eilanden (Sint Maarten, Saba en Sint Eustatius). Het toerisme op Aruba, dat in 2019 is gegroeid tot 1,12 miljoen verblijfstoeristen, daalt naar 368 duizend in 2020 om weer op te veren naar 1,10 miljoen in 2022 en verder te groeien naar 1,42 miljoen in 2024. Op Bonaire is het gegroeid naar 158 duizend in 2019, en nadat hiervan in 2020 minder dan de helft is overgebleven, ontvangt Bonaire in 2022 en 2023 ongeveer 170 duizend verblijfstoeristen. Maar het grootste wonder is het herstel op Curaçao. Nadat Curaçao in 2022 490 duizend verblijfstoeristen ontvangt en het verblijfstoerisme in 2022 dus weer hersteld is van de coronacrisis, schiet het aantal verblijfstoeristen daarna verder omhoog naar 700 duizend in 2024.

De welvaartsverschillen tussen beide zijden van de oceaan veranderen tussen 2012 en 2023 niet wezenlijk. Ondanks dat de euro minder waard wordt ten opzichte van de dollar, is het gemiddelde Europees-Nederlandse welvaartsniveau van 65 duizend dollar in 2023 ongeveer het dubbele van dat in de Cariben. Wel zijn er nog altijd verschillen tussen de eilanden: op Sint Maarten is het bbp per hoofd het hoogst (38 duizend), gevolgd door Aruba (34 duizend) en Caribisch Nederland (29 duizend). De kloof is het grootst met Curaçao, dat dat jaar een bbp per hoofd heeft van 22 duizend dollar.

Concluderend

Kwetsbare economieën

Terwijl Europees Nederland momenteel een van de rijkste landen van de wereld is met een bbp per hoofd dat ongeveer het dubbele is van dat in het Caribisch deel van het Koninkrijk, ging de economische ontwikkeling daar met vallen en opstaan. De Caribische eilanden hebben verschillende industrieën opgebouwd, die altijd kwetsbaar zijn gebleken en soms ook weer verdwenen zijn. Curaçao werd groot in de olieraffinage en de financiële offshore, die allebei ook weer verdwenen of sterk krompen. De genadeklap kwam in 2020, toen de overgangsregeling voor de financiële offshore afliep, de raffinaderij sloot en ook het toerisme grotendeels wegviel. Sindsdien is het toerisme met een indrukwekkende opmars bezig. Ook Aruba moest afscheid nemen van zijn olieraffinage, maar had al in de jaren ‘90 het toerisme verder ontwikkeld dan de andere eilanden.

Sint Maarten had al het vroegst ingezet op toerisme en ontving in de jaren ’80 meer verblijfstoeristen dan elk van de andere eilanden van de Nederlandse Antillen. Sint Maarten is met zijn ligging in de orkaangordel echter erg kwetsbaar: zowel in 1995 met Luis als met Irma in 2017 stortte het toerisme grotendeels in. Sinds Irma hebben de toeristenaantallen zich op Sint Maarten nog altijd niet hersteld.

Ook Bonaire heeft zich steeds meer toegelegd op het toerisme, en daarmee kwam de klap van de coronacrisis net als op de andere eilanden economisch veel harder aan dan in Europees Nederland. Het kleinschalige toerisme op Saba en Sint Eustatius heeft zich sinds de coronacrisis nog steeds niet hersteld.

Diversificatie minder realistisch dan voorgesteld

Vanuit het Koninkrijk klinkt geregeld het commentaar dat de eilanden niet economisch divers genoeg zijn. “Het fundament onder de spectaculaire economische groei is broos omdat het land grotendeels afhankelijk is van toerisme,” schrijft het College Aruba financieel toezicht (CAft) bijvoorbeeld in februari 2025. En Zsolt Szabó, van juli 2024 tot juli 2025 staatssecretaris Digitalisering en Koninkrijksrelaties, had als een van zijn speerpunten “economische zelfredzaamheid”.

De economische geschiedenis van de eilanden laat echter zien hoe moeilijk diversificatie van de economie is. Er zijn veel factoren van buitenaf die beïnvloeden of een economische pijler succesvol zal worden of niet. De olie-industrie was succesvol, maar was in handen van buitenlandse multinationals. Zodra die de deuren sloten, hield de olieraffinage op te bestaan. Het toerisme kon pas schaal krijgen toen technologische vooruitgang ervoor zorgde dat de Cariben relatief snel te bereiken waren vanuit Europa en de Verenigde Staten. Maar ook het toerisme is vatbaar voor externe factoren, zoals de coronapandemie, natuurrampen en economische crises in de herkomstlanden van toeristen. En de offshore-industrie was een groot succes, maar verdween uiteindelijk door beleid en verdragen van andere landen of organisaties, zoals de Verenigde Staten, de EU en de OESO.

Ook vanuit de economische theorie valt te betwijfelen of er ruimte is voor verschillende succesvolle sectoren in de Caribische delen van het Koninkrijk. Caribische eilanden kampen door hun ligging namelijk met een slechtere bereikbaarheid dan de meeste landen op continenten. Daardoor moet een industrie een zekere schaal kunnen behalen om efficiënt te kunnen zijn en te kunnen exporteren. En die schaal is er niet op de (kleine) eilanden, met beperkte ruimte en een kleinere beroepsbevolking dan veel andere landen. Misschien is er dus ook geen ruimte voor verschillende exportsectoren.

Vanuit het Europese deel van het Koninkrijk is daarom een genuanceerdere kijk op de afhankelijkheid van het toerisme op zijn plaats. De Caribische delen van het Koninkrijk zetten al in op diversificatie binnen het toerisme: bijvoorbeeld door nieuwe doelgroepen aan te boren, toeristen uit andere landen aan te trekken en meer bezoekers te krijgen in het laagseizoen. Mogelijk is dit een realistischere weg dan het ontwikkelen van nieuwe exportsectoren.

Statuut geschreven in andere context

Verder is de huidige economische context anders dan toen het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden werd geschreven, in 1954. Op dat moment waren de economische verhoudingen gelijker dan nu: de Nederlandse Antillen waren zelfs een van de grootste producenten van geraffineerde olie ter wereld en hadden een hoger inkomen per hoofd dan het voormalige, wederopbouwende moederland. Niet voor niets luidde artikel 36: ‘Nederland, Suriname en de Nederlandse Antillen verlenen elkander hulp en bijstand.’

Halverwege vorige eeuw ging de hulp binnen het Koninkrijk inderdaad twee kanten op: tijdens de Tweede Wereldoorlog en bij de watersnood in 1953 doneerden Antillianen geld aan Nederland. Andersom kwam in deze periode ook de ontwikkelingshulp van Nederland aan de Nederlandse Antillen op, net als aan Suriname en Nederlands Nieuw-Guinea.

Tegenwoordig gaan hulp en bijstand doorgaans niet vanuit de Caribische landen naar Nederland, maar vooral andersom: denk aan de voordelige leningen die Nederland tijdens de coronacrisis aan de landen verstrekte of de hulp die Nederland aan Sint Maarten bood na de orkaan Irma in 2017. Dit is niet verwonderlijk, aangezien Nederland nu aanzienlijk welvarender is dan de eilanden en vanwege het koloniale verleden bovendien een bepaalde zorgplicht heeft naar de Caribische landen. Overigens verlenen Aruba, Curaçao en Sint Maarten elkaar onderling ook bijstand, bijvoorbeeld toen Sint Maarten door Irma werd getroffen.

De gelijke benadering (‘verlenen elkander hulp en bijstand’) lijkt onder de huidige verhoudingen dus niet meer realistisch. Doordat het Statuut niet meer goed aansluit bij de huidige economische verhoudingen, is er een nieuwe visie nodig op de verhoudingen en de samenwerking tussen Nederland en de Caribische landen. Geeft Nederland lopend hulp en bijstand aan Aruba, Curaçao en Sint Maarten, of alleen in tijden van crisis? In hoeverre kan Nederland voorwaarden stellen bij het verlenen ervan? Is de hulp en bijstand een gunst vanuit Nederland, of een plicht? Over deze vragen lijken verschillende opvattingen te bestaan.

Driedubbele ramp voor Curaçao 

Verder laat de analyse zien hoe rampzalig het jaar 2020 was voor Curaçao. De drie pijlers die in de loop van de geschiedenis het grootst zijn geweest op Curaçao kregen allemaal een klap. Door het aflopen van het overgangsregime verdween de offshore-sector grotendeels, door het aflopen van het contract met de Venezolaanse exploitant eindigde de olieraffinage en door de coronacrisis kreeg het toerisme een zware klap.

In dat licht bezien had een coulantere houding van Nederland richting Curaçao beter gepast bij de ‘hulp en bijstand’ in artikel 36. Nederland verstrekte wel gunstige leningen met een rente van 0 procent om de klappen van de coronacrisis op te vangen, maar deze hadden een looptijd van slechts een paar jaar. In 2023 werden deze leningen tegen 2,9 procent rente geherfinancierd. Er werden bovendien stevige voorwaarden verbonden aan deze zogeheten liquiditeitssteun: de Curaçaose overheid moest 12,5 procent bezuinigen op ambtenarensalarissen en moest een hervormingsprogramma doorvoeren.


Verantwoording


Verantwoording bronnen netto nationaal inkomen (nni)

Het nni per hoofd op de Nederlandse Antillen is afkomstig van CBS publicaties voor de jaren 1957-1966 en 1974. Het nni van Nederland is tevens afkomstig uit een CBS publicatie, uit 2014. De wisselkoers van de Antilliaanse Gulden in Amerikaanse dollars komt voort uit een publicatie van het Internationaal Monetair Fonds (IMF). De waarde van de Nederlandse Gulden uitgedrukt in dollars zijn afkomstig uit publicaties van de Nationale Bank van België (tot 1957) en de Wereldbank (vanaf 1960). Nederlandse Guldens zijn uitgedrukt in euro’s op basis van informatie van De Nederlandsche Bank.

Verantwoording bronnen bruto binnenlands product (bbp)

Het bbp per hoofd op de Nederlandse Antillen is overgenomen uit publicaties van het CBS uit 1995, 2003 en 2012. Het CBS publiceert tevens vanaf 2012 het BBP per hoofd van Caribisch Nederland. Gegevens over het bbp per hoofd in andere landen is afkomstig van de Wereldbank. De wisselkoers van de Antilliaanse Gulden in Amerikaanse dollars komt voort uit een publicatie van het Internationaal Monetair Fonds. 

 

Heb je vragen over dit bericht?
Of wil je hierover in gesprek met iemand van Economisch Bureau Amsterdam?

Nieuws & publicaties

Lees verder over de laatste ontwikkelingen

Nieuws

Autoluw beleid vergroot de brede welvaart en heeft gemengde effecten voor de economie

28 januari 2026

Nieuws

Nederland heeft veel landbouwgrond, ondanks grote ruimtedruk

15 januari 2026

Nieuws

Nieuw koopkrachtmodel voor Curaçao

7 januari 2026